WELKOM

Dit jaar is het 450 jaar geleden dat de Slag op de Zuiderzee bij het Hoornse Hop werd uitgevochten, onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje.

De Nederlandse gewesten werden vanaf 1555 bestuurd vanuit Spanje, door Filips II. Vooral ingegeven door de sterke wens naar religieuze vrijheid probeerde de gewesten zich vrij te maken van de streng-katholieke Spanjaarden. Deze strijd mondde uit in de Tachtigjarige Oorlog, ook wel de Nederlandse onafhankelijkheidsoorlog genoemd. Pas in 1648 werd de vrede getekend en waren de Nederlandse gewesten onafhankelijk. Het begin van de overwinning wordt door vele steden geclaimd, Leiden, Alkmaar, Haarlem. Maar de echte victorie begon natuurlijk met de overwinning op de Spanjaarden in de Slag op de Zuiderzee….

  • OVER DEZE WEBSITE
    HOE TE GEBRUIKEN
    Deze site bestaat uit één pagina (het is een longread). In principe is het gebruik van het menu niet nodig. Het menu kan indien gewenst door op de zwarte balk aan de linkerkant te klikken worden geactiveerd. En is na gebruik weer te sluiten door op het kruisje te klikken. In de hoofdtekst zijn op relevante plekken audio, video en afbeeldingen ingevoegd. Alle videofragmenten zijn ondertiteld. Die functie kan worden geactiveerd door op het (cc) symbool te drukken. De audiofragmenten zijn in transcriptie beschikbaar.

MACHTSSTRIJD

FILIPS

Filips II gaf in 1559 het landvoogdijschap over de Nederlandse gewesten aan zijn halfzuster Margaretha van Parma. Bisschop Granvelle ging met haar mee naar de noordelijke gewesten. Hij was een vertrouweling van Filips en zijn invloed op Margaretha werd door de Nederlandse adel sterk gewantrouwd.

De streng katholieke Filips vond de bevolking van de Nederlanden bij lange na niet vroom genoeg. Hij voerde strengere geloofswetten in (godsdienstplakkaten) en beperkte verder de bestuurlijke macht van de inheemse adel. Die adel richtte al spoedig al hun grieven die uit die beperkingen voortkwamen op Granvelle. Het conflict dreigde uit de hand te lopen en om de rust te bewaren kon Filips II niet anders dan in 1564 Granvelle terugroepen. Zijn vertrek werd door velen gevierd als een overwinning.

Aangemoedigd door dit succes presenteerde de edelman Hendrik van Brederode in april 1566 de landvoogdes Margaretha een smeekschrift dat door ongeveer 400 edelen uit de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden was ondertekend. Daarin werd verzocht de ingevoerde hervormingen ongedaan te maken en de oude orde weer te herstellen.

  • Margaretha van Parma
  • Margaretha van Parma, landvoogdes van de Nederlanden aan het begin van de opstand, zit tussen twee vuren. Koning Filips II van Spanje en de Hollandse edelen. Ze ijsbeert …

Van Brederode was van lage adel en woonde in het kasteel Batenburg in de vrijstaat Vianen. Zijn bezit was niet direct onderworpen aan de rechtsmacht van de koning, en hij sprak daarom vrijelijk zijn ongenoegen uit over dat wat vanuit Brussel werd gedicteerd.

Tijdens de presentatie van het smeekschrift in het paleis van Brussel door Van Brederode schijnt Gillis van Berlaymont, de raadsman van Van Parma, haar te hebben toegefluisterd: ‘Wees niet bevreesd mevrouw, ‘ce ne sont que des gueux’ (het zijn slechts bedelaars). De scheldnaam zou door Van Brederode, alias ‘De Grote Geus’, en zijn gevolg vanaf die dag met trots als geuzennaam worden gevoerd.

WILLEM VAN ORANJE

Prins Willem van Oranje, de stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, behoorde met de graven van Van Hoorne (de stadhouder van Gelderland) en Van Egmont (de stadhouder van Vlaanderen en Artois) tot de meest vooraanstaande bestuurders. Maar de Prins ondertekende het smeekschrift echter niet en bleef de Spaanse koning trouw.

Toch wilde ook hij meer godsdienstvrijheid en vooral meer invloed op de regering, maar hij durfde het nog niet aan om in woord en daad tegen de koning op te staan. Hij zag daarom met lede ogen aan hoe Van Brederode met zijn gewapende aanhangers – na het aftreden van Granvelle en de presentatie van het smeekschrift – veel rumoer onder de burgerij veroorzaakte. Van Brederode deed bovendien steden als Haarlem en Amsterdam aan om steun voor zijn zaak te verwerven.

Van Brederode kreeg onverwacht nog meer de wind in de rug. In Steenvoorde, in het sterk verarmde West-Vlaanderen, vond op 10 augustus 1566 een beeldenstorm plaats. Na een protestante openluchtpreek had een groep opgehitste toehoorders en gelukzoekers de plaatselijke katholieke kerk geplunderd en alle heiligenbeelden neergehaald en kapotgeslagen. Het nieuws over de vernielingen en de plunderingen verspreidde zich snel en er ontstond in de Nederlanden een golf van beeldenstormen. Die eindigde pas weken later, in september 1566 in Leeuwarden en Groningen.

  • Beeldenstorm
  • Katholieke kerken werden geplunderd, beelden kapotgeslagen, geestelijken vermoord. De bevolking wist niet meer wie of wat te vertrouwen.

Omdat de stadsbesturen overwegend katholiek waren – en konden rekenen op de steun van de schutterij – keerde de rust vaak ook snel weer terug. Zo vond in Hoorn, waar ondanks de massaal bezochte openluchtpreken van Jan Arentsz en het overwinningsfeest van Van Brederode, in het geheel geen protestants oproer plaats.

ALVA

Margaretha van Parma had de invoering van onder andere de godsdienstplakkaten opgeschort en nadat eind 1566 de Beeldenstorm was uitgeraasd, was iedereen heel benieuwd naar de reactie van Filips II op het smeekschrift.

Die was zoals al werd gevreesd: hij was niet tot compromissen bereid. Vanuit Madrid beval hij de hertog van Alva een leger van 10.000 man op de been te brengen en op te trekken naar Brussel om alle ketterse beeldenstormers en hun adellijke sympathisanten streng te straffen en de hervormingen in te voeren die hun invloed op het landsbestuur zou beperken.

  • Spanjaarden in de polder
  • Spaanse soldaten met hun laarzen in de Hollandse modder. Hoe moeten die zich gevoeld hebben. Musicus Eric Lensink heeft wel een idee.

Margaretha van Parma trad af in de wetenschap dat haar halfbroer voor een oorlog had gekozen. Alva voerde daarbij belastingen in waarmee zonder overleg met de adel de staatskas kon worden gevuld voor zijn leger. Zo konden ketters en beeldenstormers worden vervolgd.

Alva ontbood ook Van Hoorne en Van Egmont, die beiden wel het smeekschrift hadden ondertekend, onder het voorwendsel met hen te willen spreken over de situatie in de Nederlanden. Na hun aankomst werden ze meteen gearresteerd en beschuldigd van hoogverraad. In juni 1568 werden beide mannen in Brussel onthoofd.

Image module
Margaretha van Parma, door Anthonie Mor van Dashorst, ca. 1559 (Philadelphia Museum of Art)
Image module
Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva, door Titiaan (Museo Nacional del Prado, Madrid)

Het vonnis was uitgesproken door de Raad van Beroerten of Bloedraad (1567-1576), een speciaal door Alva opgerichte rechtbank bestemd om alle beeldenstormers en hun sympathisanten te berechten. Door de Bloedraad zijn naar schatting 1100 mensen terechtgesteld. Ongeveer 9000 verdachten werden bij verstek veroordeeld met inbeslagname van hun goederen. Onder hen veel leden van de Friese en Vlaamse lage adel. Veel van hen komen we later tegen als de eerste watergeuzen.

Maar veel stadsbestuurders en kooplieden, die weleens een openluchtpreek hadden bezocht, kozen het zekere voor het onzekere. In afwachting van betere tijden namen zij de vlucht naar protestante enclaves in Oost-Friesland, Frankrijk, Duitsland en Engeland. Daar probeerden sommigen oorlogsschepen uit te rusten om zo terug te kunnen slaan.

De Prins werd ook door Alva uitgenodigd voor een gesprek in Brussel, maar hij was een gewaarschuwd man. Met achterlating van zijn bezittingen bracht hij zich in veiligheid in Duitsland op het familiestamslot in Dillenburg.

Tot dan toe had de Prins hoop gehouden op een diplomatieke oplossing. Hij hoopte op het behoud van de oude bestuurlijke rechten en een zekere vorm van godsdienstvrijheid voor andersdenkenden.

Maar de komst van Alva boorde die hoop in de grond en de verbanning van Willem maakte dat hij openlijk de kant van de opstandelingen koos. In 1568 verklaarde hij dat het zijn recht en plicht was in verzet te komen en de wapens op te nemen. Volgens Van Brederode kwam hij daar veel te laat mee. Om de in meerderheid katholieke burgers en stadsbesturen voor zich te winnen, stelde Willem dat hij niet opstond tegen de Spaanse koning – die immers door God was aangesteld – maar dat hij vocht tegen Alva, die volgens hem zonder twijfel Filips II een rad voor ogen draaide.

OORLOG

INVASIES

  • Oorlog
  • In de Tachtigjarige Oorlog was het zeker niet altijd duidelijk wie wie bevocht. En afspraken en allianties waren niet altijd voor altijd. Eric Lensink vertelt over de chaos.

Met steun van zijn broer Lodewijk van Nassau wist Prins Willem in Duitsland een groot huurleger op de been te brengen. Hij wilde de Nederlanden vanuit het oosten op drie plaatsen binnenvallen. Lodewijk trok Groningen binnen via de Eems en behaalde in mei 1568 bij Heiligerlee in Friesland een verrassende overwinning op de Spaanse troepen.

In de dagen daarna bleek er onder de Friese en Groningse bevolking bitter weinig enthousiasme te zijn. Die had Lodewijk hard nodig om van de invasie verder een succes te maken. Dat gebrek aan enthousiasme brak hem lelijk op. Op 21 juni werd Lodewijk door een regiment Spaanse ruiters bij Jemmingen (nu Jemgum in Duitsland) verslagen en weer naar Oost-Friesland teruggejaagd.

Achteraf bleek trouwens dat Van Nassau zich niet aan het strijdplan had gehouden. Het was de bedoeling om van Delfzijl een veilig bruggenhoofd te maken om met de in de Eems gereedliggende geuzenvloot naar het Noorderkwartier te zeilen. Al voor de invasie had Diederik Sonoy, de raadsman en vertegenwoordiger van de Prins, al contact met enkele leden van de familie Buyskens in Enkhuizen gelegd die de stad aan de Prins zouden overdragen, zodra de geuzenvloot zich liet zien.

Alva had echter op het nieuws van de invasie snel zijn manschappen bijeengebracht en een vloot laten uitrusten. Die bracht op 10 juni 1568 een grote slag toe aan de geuzenvloot in de Eems. Daarbij liep niet alleen de invasie van Van Nassau uit op een mislukking, ook de invasies via Gelderland en in de Zuidelijke Nederlanden bij Luik die onder leiding stond van de Prins zelf waren geen succes.

Alva kon eind 1568 triomfantelijk vaststellen dat zijn keurtroepen superieur waren aan de huurlegers van de Prins en hij vertrouwde erop dat de steden zelf wel in staat waren zich tegen de watergeuzen te verdedigen.

WATERGEUZEN

De geuzenkapiteins die zich na de slag in de Eems in veiligheid hadden gebracht, verzamelden zich in Engeland, waar koningin Elisabeth hen veilige thuishavens bood. Ze mochten haar havens als uitvalsbasis te gebruiken voor hun landingen op de Nederlandse kust en de Waddeneilanden. Bovendien mochten ze veroverde vijandelijke ‘Spaanse’ schepen naar de Engelse havens brengen.

Prins Willem wist dat hij tegen de landtroepen van Alva weinig kon inbrengen. Daarom richtte hij in de zomer van 1570 zijn aandacht vooral op het reorganiseren van de geuzenvloot. De meest ongeregelde geuzenkapiteins misdroegen zich namelijk behoorlijk: ze brandschatten weerloze kustdorpen, plunderden kerken en waren soms wreed tegen alles wat katholiek was. Veel stads- en plattelandsbewoners stonden vaak voor een dilemma: blijven of vluchten. In sommige gevallen, wanneer ze ervoor kozen om te blijven, begroeven ze hun kostbaarste bezittingen. Ze wisten namelijk dat ofwel de Spanjaarden ofwel de Geuzen zouden komen, en dat ze dan alles wat ze dierbaar was zouden verliezen.

En niet alleen met plunderingen vulden de watergeuzen hun oorlogskas. Ook het veroveren van graanschepen uit de Oostzee en het binnenhouden van de vissersvloot en de handelsschepen van de steden die Spaansgezind waren leverden veel geld op.

In het voorjaar van 1571 voeren de geuzen de Zuiderzee op en werd op één dag het ommuurde Monnickendam en het dorp Schellingwoude ten noorden van het IJ geplunderd. Het stadsbestuur van Amsterdam was enorm bezorgd en Alva liet troepen uit Utrecht overkomen om Amsterdam en andere havensteden te versterken om zo ‘naeder by die see te wesen’. Velius schrijft dat ook Hoorn bang was voor een inval van de watergeuzen, maar toen een garnizoen van 500 Spaanse soldaten de stad links liet liggen haalden ze opgelucht adem. Van de Spanjaarden hadden ze geen last, die trokken verder naar Medemblik.

BRIELLE

Na het huzarenstukje van de geuzen bij Amsterdam kreeg Maximilian de Hénin-Liétard, de graaf van Bossu – die de Prins was opgevolgd als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht – de opdracht met de steden een oorlogsvloot te bouwen. Daarmee wilde hij de geuzen verslaan die zich inmiddels weer in de Eems ophielden. De bouw van de vloot verliep traag, maar in mei 1571 voer de vloot eindelijk uit. Ze veroverden onder leiding van admiraal Van Boshuysen en kapitein en oud-burgemeester Jan Symonsz Rol van Hoorn – die de leiding had over de Hoornse schepen – negen geuzenschepen in de Eems. De schepen die aan Van Boshuysen waren ontsnapt zochten een veilig heenkomen in Engeland. Ze voegden zich bij de vloot van Willem II van de Marck Lumey, die door de Prins tot admiraal was benoemd.

Maar Koningin Elisabeth zocht weer toenadering tot de Spaanse Filips II en eind februari 1572 moest Lumey Engeland toch weer verlaten. Terugkeren naar de Eems en de plaats Embden was voorlopig niet mogelijk en daarom werd Lumey opgedragen naar het ‘bevriende’ Enkhuizen te zeilen. Daar moest hij een nieuwe veilige thuishaven maken. Of, als dat niet zou lukken, maar een andere stad in West-Friesland proberen in te nemen.

De vloot van Lumey bestond uit ongeveer 25 schepen en 1500 manschappen. Ze vertrokken met Enkhuizen als einddoel, maar kregen te maken een noodweer. Het lukte om zich op 1 april 1572 voor Brielle aan de Maasmonding in veiligheid te brengen. Omdat al snel bleek dat in het stadje geen Spaanse troepen waren gelegerd, zou het probleemloos kunnen worden geplunderd.

  • Plunderingen
  • Jan de Bruin van het Westfries Archief vertelt dat ook in West-Friesland (vooral langs de kusten) veel werd geplunderd.

Dat plunderen gebeurde niet. In plaats daarvan wist kapitein Blois van Treslong Lumey te overtuigen om het in naam van de Prins te bezetten. De Prins verklaarde vanuit zijn hoofdkwartier ‘seer qualijck tevreden’ te zijn met de inname van Brielle. Waarschijnlijk zag hij weinig voordeel in een steunpunt aan de Maas en wilde hij de schepen bewaren voor een nieuwe aanval op Enkhuizen. Maar in het zuiden van Holland en in Zeeland bleken vrijwel geen Spaanse troepen gelegerd te zijn. Daardoor maakten de mannen van Lumey een verrassend snelle noordelijke opmars die pas voor de poorten van Amsterdam stopte.

In Vlissingen op Walcheren werd de inname van Brielle direct gezien als een onverwachte steunbetuiging aan de Prins van Oranje en op 6 april besloten zij daarom als eerste stad vrijwillig over te gaan naar de zijde van de Prins. Lumey had blijkbaar de lont in het kruitvat geworpen, want ongeveer zes weken later ging ook Enkhuizen (op 21 mei) over. Ook de zes andere steden in het Noorderkwartier volgden daarna snel. Al op 19 juli 1572 werd in Dordrecht de Eerste Vrije Statenvergadering gehouden met afgevaardigden van bijna alle opstandige Hollandse en Zeeuwse steden. De vergadering herstelde de Prins in zijn waardigheid als stadhouder en ze besloten vanaf dan de Opstand gezamenlijk te coördineren en te financieren.

Het succes van de opmars van Lumey was mede te danken aan de start van tweede invasie van de Prins vanuit Duitsland en Frankrijk. In het voorjaar en de zomer van 1572 was een prinselijk invasieleger Gelderland ingetrokken met Zwolle en Kampen als einddoel en een meer zuidelijk leger onder commando van de Prins was voornemens via Venlo op te trekken naar Roermond. Vanuit Frankrijk trok Van Nassau de grens over die erin slaagde Valenciennes aan de Schelde en het strategisch belangrijke Bergen (Mons) te veroveren. Alva was genoodzaakt zo’n 15.000 man uit Holland en Zeeland weg te halen om de opmars van de Prins te stuiten. Dat speelde Lumey in de kaart.

In het najaar van 1572 werd echter opnieuw duidelijk dat de prinselijke legers niet tegen de Spaanse troepen waren opgewassen. De Prins Van Oranje gaf zich in september over en verliet Roermond in oktober. De veroverde Gelderse steden vielen in november 1572 weer in Spaanse handen. Alva beval zijn zoon Don Frederik een heroveringcampagne te beginnen en alle steden die in 1572 tijdens de tweede invasie al dan niet vrijwillig de zijde van de Prins hadden gekozen waren voor het einde van het jaar weer aan het Spaanse gezag onderworpen. De Spaanse stadhouder De Robles bracht de opstandige steden Leeuwarden, Harlingen en Stavoren weer in het gareel, waardoor uiteindelijk alleen de gewesten Zeeland en Holland goeddeels in handen van de Prins bleven, met uitzondering van Middelburg en Amsterdam.

STEDEN

Ondanks dat er steeds geprobeerd werd Amsterdam over te halen om voor de Prins te kiezen bleef de stad Spaansgezind. De strategisch gelegen stad scheidde het ‘vrije’ Noorderkwartier en het bevrijde Holland en Zeeland van elkaar, waardoor de stad zowel als steunpunt fungeerde voor aanvallen naar het noorden als naar het zuiden.

De watergeuzen beheersten de Maas- en Scheldemonding en het Vlie, en Sonoy ondernam stappen om Texel in te nemen om de overzeese route naar de Maasmonding en Dordrecht veilig te stellen. Maar dat kon niet voorkomen dat in de winter van 1572-73 de Spaanse bevelhebber Don Frederik Haarlem belegerde. Pogingen van Sonoy om de Diemerdijk in te nemen om de aandacht af te leiden en de bevoorrading van de Spaanse troepen vanuit Utrecht te blokkeren bleven zonder resultaat.

Image module
Diederik Sonoy, door J. Punt (Westfries Museum)

Om de verovering van Haarlem te bespoedigen, besloten de Spanjaarden de toevoer naar de stad via de Haarlemmermeer af te snijden. Door Bossu werd in Amsterdam een oorlogsvloot samengesteld, die op 26 mei 1573 het meer opvoer en zonder veel weerstand de veelal slecht bewapende Haarlemse binnenschepen veroverde of tot zinken bracht. Haarlem hield het beleg nog zeven weken vol, maar moest zich op 13 juli 1573 overgeven.

Het volgende doelwit was Alkmaar. De stad had zich onder gouverneur Cabeliau zo goed mogelijk versterkt en men was van plan de belegering zo lang mogelijk vol te houden. In Haarlem had Don Frederik na de overgave 1500 man omgebracht en een overgave van Alkmaar leek daardoor heel onverstandig.

Anders dan Haarlem werd Alkmaar gered door het water. Na maandenlange regenval besloten de Alkmaarders om op 23 september 1573 de sluizen open te zetten en de dijken rond de stad door te steken. Het gebied waar de Spanjaarden gelegerd waren liep onder water. De Spaanse artillerie zonk tot de assen in de modder en kon niets meer uitrichten. De Spanjaarden werden zo gedwongen het beleg op te heffen en na zeven weken beleg trokken de troepen zich terug. Op 8 oktober 1573 was Alkmaar ontzet.

OP HET WATER

Het Spaanse succes van de slag op de Haarlemmermeer en het mislukte beleg van Alkmaar deed de Spaanse legerleiding besluiten de verovering van het Noorderkwartier over land voorlopig op het tweede plan te zetten. Ze wilden de opstandige steden op hun eigen terrein verslaan, op het water.

Daarbij kwam dat het stadsbestuur en de kooplieden van Amsterdam zich al maanden bij Alva beklaagden over de omsingeling van de stad door de watergeuzen. Die blokkade van het scheepsverkeer leidde tot het stilvallen van de handel en de bevoorrading en zelfs tot een hongersnood onder de bevolking.

Alva zag geen andere optie dan een oorlogsvloot uit te rusten om de Zuiderzee geuzenvrij te maken. Bossu werd opnieuw tot admiraal over de aanstaande oorlogsvloot benoemd. Hij liet het stadsbestuur van Amsterdam weten dat het niet noodzakelijk was extra schepen te bouwen en dat hij voldoende had aan ‘de seventien grote schepen die Inden twee voorleden Jaeren in dienste geweest zyn’. Wel stond er een nieuw oorlogsschip op stapel, genaamd de Sint Pouwels, dat als admiraalsschip zou dienen. Het schip, dat later de Inquisitie werd genoemd, zou worden voorzien van veel zwaar geschut en een dubbele huid, waardoor het bijna voor onverslaanbaar werd gehouden. Vermoedelijk wilden de Spanjaarden de bouw geheimhouden, want toen op 17 augustus 1573 een nietsvermoedende timmerman uit Edam de werf betrad om te mogen ‘wercken aen des Graefs schip’, werd hij direct gearresteerd en onthoofd.

  • Dienstweigeraars
  • Er waren veel soldaten en zeelui nodig voor op de oorlogsschepen. Jan de Bruin vertelt over dienstweigeraars, het kiezen tussen twee heren en de angst voor het verlies van vaders en zonen.

De bemanning van het nieuwe oorlogsschip was ongekend groot: 180 bootsgezellen, twee soldatenvendels (waaronder 200 Spanjaarden) en een veertigtal busschieters voor het bedienen van het geschut. De kroniekschrijver Bor meldt dat er in totaal 18 oorlogsschepen op rekening voeren met op alle schepen tezamen 1312 man. Vermoedelijk werden er ook tal van kleine bewapende schepen bij de vloot gevoegd, want latere bronnen maken melding van een regeringsvloot van tenminste 30 bewapende schepen.

ZUIDERZEE

Op 12 september 1573 lichtte de vloot van Bossu het anker om het IJ uit te zeilen. De geuzen hadden tientallen wrakken in het IJ laten afzinken, maar de eerste 13 schepen van de Spaanse vloot konden de blokkade ongehinderd passeren. Cornelis Dircksz, oud-burgemeester van Monnickendam die in 1573 was benoemd tot admiraal over de Zuiderzee, lag met zijn schepen op wacht buiten het IJ en had de snelle uittocht niet verwacht. Na een korte schotenwisseling moest hij zich terugtrekken. De schansen bij Schellingwoude en Nieuwendam die ten noorden van het IJ waren gebouwd waren nu verstoken van bescherming vanuit zee en werden door de soldaten van Jan Symonsz Rol ingenomen.

Bossu zelf voer op 13 september uit. Hij bezocht de veroverde schansen en ging pas op 3 oktober weer aan boord van de Inquisitie om zijn vloot tot bij Pampus te brengen. Op het nieuws van de uittocht van Bossu werden in Hoorn ‘met onghelooflijker snelheydt’ zo veel mogelijk schepen uitgerust die bij de vloot van Cornelis Dircksz werden gevoegd. Er is geen exacte vlootlijst bekend, maar volgens de kroniekschrijver Brandt telde de geuzenvloot ongeveer 30 grote oorlogsschepen, waarvan 14 of 15 afkomstig waren uit Enkhuizen.

  • Hoe belangrijk was Enkhuizen?
  • Enkhuizen krijgt volgens velen niet altijd de erkenning die het verdient. Jan de Bruin vertelt welke belangrijke rol de stad in West-Friesland speelde aan het einde van de 16e eeuw.

Op 5 oktober besloot Bossu vanaf Pampus te vertrekken en de Spaanse vloot en die van de Geuzen kwamen bij Marken in elkaars gezichtsveld. Er werd meteen geschoten en daarbij raakte aan Spaanse zijde viceadmiraal Van Boshuysen gewond. Bij de geuzen werd admiraal Cornelis Dircksz in zijn arm geschoten. Later op de dag wisten twee geuzenkapiteins twee vijandelijke schepen aan te klampen. Taems Fredericksz van Medemblik moest weer afhaken, maar Jacob Semeyns – alias Til van Enkhuizen – wist het schip de Aep onder commando van Artus van Schuylenburgh te veroveren. Hij haalde het geschut van het schip en liet de vijandige bemanning met een waterschip naar land brengen. Maar het lukte Til niet de grootste prijs – het schip zelf – op sleeptouw te nemen. 

Na de gevechten op 5 oktober ging Bossu opnieuw voor anker en op 8 oktober lagen beide vloten tegenover elkaar ten oosten van Marken. Bossu schreef Alva dat de wind ongunstig was: ‘de eerste die het anker licht zou in het nadeel zijn’.

DE SLAG

GEVECHTEN

  • De slag
  • Musicus Eric Lensink vertelt over de lotgevallen van Jan Haring en zingt een lied over de graaf van Bossu. Over hoe hij zich wellicht heeft gevoeld toen hij op de Zuiderzee voer.

In de vroege ochtend van 11 oktober draaide de wind. De geuzenvloot kreeg een ruime wind schuin van achteren, waardoor de schepen een hoge snelheid konden halen en makkelijk konden manoeuvreren.

Cornelis Dircksz, die door het inferieure geschut op zijn schepen steeds buiten schootafstand was gebleven, gaf zijn kapiteins het bevel direct het entergevecht aan te gaan. Het admiraalsschip van Bossu werd vrijwel meteen door drie schepen aangeklampt. Kapitein Boer uit Schellinkhout nam zijn positie in bij de achtersteven, maar zijn lage schip werd zodanig door vuurpotten bestookt dat hij weer moest loslaten. Jan Floor, schipper op de Eendracht van Cornelis Dircksz, zette het schip vast aan de boeg van de Inquisitie en Pieter Claesz Back uit Hoorn en Til uit Enkhuizen kwamen langszij.

  • Jan Haring
  • Tijdens de slag haalt de held Jan Haring de vlag uit de mast van het Spaanse admiraalschip De Inquisitie. Dit gedicht verhaalt van zijn heldendaad.

De man tegen man gevechten op de Inquisitie hielden nog tot de volgende dag 12 oktober aan. In de vroege ochtend had Jan Haring kans gezien de vijandelijke vlag uit de mast te halen, maar was bij het afdalen uit de mast doodgeschoten door een van de Spaanse soldaten die zich benedendeks hadden verschanst.

DE OVERWINNING

Het werd Bossu ondertussen duidelijk dat hij niet meer zou worden ontzet. Het gros van zijn schepen had het strijdtoneel al verlaten, misschien omdat zijn admiraalsvlag niet meer wapperde en ze daardoor dachten dat hij zich had overgegeven. Bossu was tot overgave bereid, maar alleen als zijn familie en de edelen van hun ‘leven versekert souden zijn’.

  • Bossu
  • Bossu dacht dat hij onoverwinnelijk was. Dat bleek anders. Deze vertelling verhaalt van zijn nederlaag.

Zijn manschappen zouden naar oud gebruik mogen worden geruild tegen andere krijgsgevangenen of konden zich vrijkopen. Nadat de manschappen van Bossu overtuigd waren dat er sprake zou zijn van een eervolle overgave, legden zij de wapens neer. Bossu werd gevangengenomen en in triomf door Hoorn gevoerd. Daar werd hij ook vastgezet.

Daags na de slag ontving de Prins in zijn hoofdkwartier in Delft brieven uit Hoorn over wat er zich in het Hoornse Hop had afgespeeld. Daarbij een uitvoerige namenlijst van de hooggeboren gevangenen die voor losgeld in aanmerking kwamen en een gedetailleerde beschrijving van de circa 30 kostbare stukken geschut die waren buitgemaakt.

De aanval van Bossu was afgeslagen en dat was reden voor een overwinningsfeest. Het Noorderkwartier had laten zien dat met samenwerking en een gezamenlijke inspanning van de hele bevolking de Spaanse overheerser kon worden verslagen. De Prins dankte God en het Noorderkwartier.

Maar er werden ondertussen alweer voorbereidingen getroffen om een tegenaanval van de Spaanse vloot of een bevrijdingsactie van Bossu af te kunnen slaan. De vijand had per slot van rekening maar twee schepen verloren.

Het was iedereen duidelijk dat ze nog maar aan de vooravond van een langdurige oorlog stonden. Pas een paar jaar na de slag was men er wel gerust op dat de Spanjaarden geen voet meer op Westfriese bodem zouden zetten.
Het gebied boven Amsterdam was bevrijd en kon zich gaan richten op handel en scheepvaart.

  • De rekening
  • Nadat Admiraal Bossu de slag had verloren werd hij gevangengenomen en vastgehouden in Hoorn, als gijzelaar. Dat kost geld. Jan de Bruin laat aan de hand van een prachtig archiefstuk zien hoe de stad daar mee omging.

NA DE SLAG

TEGENSTELLINGEN

De strijd golfde daarna heen en weer en veel steden bevonden zich dan weer in handen van de Geuzen en dan weer in de handen van de Spanjaarden. In 1579 werd de Unie van Utrecht opgericht, een alliantie tussen een aantal noordelijke provincies die zich verzetten tegen de Spaanse overheersing. De unie was voornamelijk protestants van aard en streefde naar religieuze tolerantie voor protestantse stromingen, maar niet voor katholieken.

De Republiek maakte haar onafhankelijkheid nog meer tastbaar door het Plakkaat van Verlatinghe, ondertekend in 1581. Dat was een belangrijk document waarin de Nederlandse provincies de Spaanse koning Filips II afzetten. Het strenge katholicisme was een belangrijke reden voor het afzweren van de Spaanse heerschappij. Het harde en meedogenloze optreden van Filips in de vervolging van de protestanten had de Republiek gesterkt in haar overtuiging dat ze zonder Filips verder wilden.

  • Tegenstellingen
  • Ondanks de grote tegenstellingen probeerde het bestuur van de regio de vrede onder de bevolking te bewaren. Jan de Bruin legt uit aan de hand van een verordening tegen het elkaar uitschelden.

Al was de strijd tegen de Spanjaarden voor een deel voorbij, binnen de Republiek waren er nog steeds grote tegenstellingen. Het calvinisme was de dominante protestantse stroming in Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Calvinistische predikanten en theologen pleitten voor een radicale hervorming van de katholieke kerk en het herstel van een zuivere, Bijbelgetrouwe eredienst. Katholieke erediensten werden verboden. Dit betekende dat katholieken hun geloof niet openlijk konden belijden en dat hun kerken werden overgedragen aan de calvinistische Kerk. Katholieken werden getolereerd, maar veroordeeld tot de schuilkerken voor de uitoefening van hun geloof.

Toch ontstond er na de oorlog in de Republiek in de praktijk een unieke vorm van religieuze tolerantie. Hoewel het calvinisme de dominante religie was, werden andere religies, zoals het katholicisme, het lutheranisme en het jodendom getolereerd.

De Republiek bloeide op cultureel en wetenschappelijk gebied. Het was een tijd van grote kunstenaars, zoals Rembrandt van Rijn en Johannes Vermeer, en wetenschappers, zoals Christiaan Huygens en Antonie van Leeuwenhoek. Nederlandse steden, zoals Amsterdam en Leiden, werden centra van kunst, wetenschap en filosofie.

Al met al heeft de Tachtigjarige Oorlog geleid tot de onafhankelijkheid van Nederland, een periode van economische bloei, religieuze tolerantie en culturele en wetenschappelijke ontwikkelingen.
Na de onafhankelijkheid vormden de noordelijke provincies de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, een federatie van autonome provincies zonder een centrale vorst. Deze republiek groeide uit tot een belangrijke Europese macht, vooral op het gebied van handel, scheepvaart en wetenschap.

De oorlog leidde ook tot een economische bloei in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Nederlandse handelaren en kooplieden begonnen grote handelscompagnieën, zoals de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). Deze compagnieën monopoliseerden de handel met Azië, Afrika en Amerika, waardoor Nederland een belangrijk centrum van handel en scheepvaart werd.

  • Bloei
  • Tijdens en na de Tachtigjarige Oorlog is de situatie totaal veranderd. De economie, de wetenschappen en kunsten floreren als nooit tevoren. Ten koste van wie? Eric Lensink vertelt.

Dat ging nogal eens ten koste van degenen waarmee de kooplieden handeldreven. Met grof geweld en bruut optreden werden monopolies veiliggesteld en handelsdeals in het voordeel van de Republiek gesloten. Daarbij werd veel geld verdiend met de handel in mensen; honderdduizenden werd tot slaaf gemaakt en vervolgens tewerkgesteld of verhandeld. Dat gebeurde zowel in de West als in de Oost.

ECHO'S

In de tijd na deze ‘Gouden Eeuw’ zie je de religieuze tegenstellingen sterk terug in de samenleving. In de 18e, 19e en 20e eeuw is er een kloof tussen met name katholieken en protestanten. In de vorige eeuw uit zich dat in de verzuiling, een door religie ingegeven scheiding tussen voetbalclubs, muziekverenigingen en andere maatschappelijke organisaties.

Die verzuiling is de laatste vijftig jaar afgenomen en religie speelt een veel kleinere rol. Er is sprake van een soort ‘verbroedering’, waarmee het herdenken van bijvoorbeeld de Slag op de Zuiderzee van iedereen is geworden.

Het feitelijk herdenken van de Slag op de Zuiderzee als een belangrijke historische gebeurtenis begon eigenlijk pas tientallen jaren na de slag zelf. Met name tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Toen pas kreeg het vorm. Veel mensen hoopten dat het Bestand tot een blijvende vrede zou leiden. Tussen 1609 en 1621 gaven bijna alle belangrijke bestuurscolleges in Hoorn opdrachten voor schilderijen, glas-in-loodramen, beeldhouwwerken en penningen ter herinnering aan de overwinning. Sommige inwoners van Hoorn lieten zelfs versieringen op hun gevels maken met afbeeldingen van de zeeslag. Maar pas in 1648 werd de vrede tussen Spanje en Nederland officieel getekend. De eeuwen daarna werden er schilderijen, tekeningen en prenten over de Slag op de Zuiderzee gemaakt, die zich op allerlei manieren over diverse kunstcollecties verspreidden.

Nu 450 jaar later is er pas sprake van een grote herdenking in Hoorn en omstreken. Er is een boek, er zijn tentoonstellingen, een theaterstuk, diverse podcasts en websites. Natuurlijk gebaseerd op bestaande literatuur en eerder verricht onderzoek. Maar vooral grootschalig nieuw onderzoek levert een schat aan informatie op. (zie slagopdezuiderzee.nl)

Zo is er door de Rijksdienst en Archeologie West-Friesland zeer uitgebreid sonaronderzoek gedaan naar eventuele scheepswrakken op de bodem van de voormalige Zuiderzee. Een aantal kansrijke vondsten zullen later met duikers verder worden onderzocht.

  • Zoeken
  • Archeoloog Michiel Bartels en onderzoeker Seger van den Brenk vertellen aan boord van een sonar-onderzoeksschip waarom en waar er naar scheepswrakken wordt gezocht.

En natuurlijk aandacht voor de lokale held Jan Haring, die de vlag uit de mast van het Spaanse admiraalschip haalde (en daarbij de dood vond). De vlag heeft ooit in de Grote Kerk van Hoorn gehangen, maar is bij een brand verloren gegaan. Een grote reconstructie van de vlag komt in de Oosterkerk te hangen om de daden van Jan Haring nogmaals kracht bij te zetten.

  • De vlag
  • De vlag van Jan Haring is niet meer, helaas. Maar Ans Vissie en Els Winters maken een nieuwe om in de Oosterkerk in Hoorn op te hangen. Een monsterklus.

TENSLOTTE

Alles bij elkaar waren de jaren van de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog voor de bevolking angstig en onzeker. Allianties werden gesloten en verbroken, steden waren dan weer in Spaanse handen en vervolgens weer in handen van de Geuzen. Het was onoverzichtelijk, gevaarlijk en verwarrend. Als in 1648 de Vrede van Münster wordt getekend komt er een einde aan de oorlog en wordt de Republiek der Verenigde Provinciën internationaal als soevereine staat erkend. Er komt langzaam tekening in de chaos van de decennia daarvoor…

  • Nasmaak
  • In de verhalen over de Tachtigjarige Oorlog komt altijd weer hutspot op tafel. Eric Lensink sluit af met hoe dat nou eigenlijk zit met die (Spaanse) hutspot.